Spelregels


Het spel bestaat uit twee fasen. In de eerste fase maken leerlingen kennis met de rekenproblemen op de kaarten. In deze fase is er nog geen winnaar. In de tweede fase moeten de leerlingen zowel de rekenproblemen oplossen als onthouden waar de kaarten liggen. De speler die de meeste rekenduo's weet te verzamelen is de winnaar van het spel.

Fase 1

    • Kies het niveau en het domein dat je gaat spelen.
    • Bepaal wie de deler is.
    • Schud de kaarten en leg deze open op tafel.
    • De speler links van de deler begint en zoekt twee kaarten die bij elkaar horen.
    • De speler legt uit waarom de kaarten bij elkaar horen.
    • De volgende speler is nu aan de beurt en mag hetzelfde doen.
    • Ga zo door tot iedere speler in ieder geval één keer aan de beurt is geweest of tot alle spelers de begrippen en vragen goed door hebben.

Fase 2

    • Schud de kaarten nu opnieuw en leg ze gesloten op tafel.
    • De deler is als eerste aan de beurt. Hij begint met het omdraaien van twee kaarten.
    • Als een speler twee kaarten heeft gevonden die bij elkaar horen mag hij het duo van tafel halen en voor zich neerleggen. De speler is dan nog een keer aan de beurt.
    • Als de twee kaarten niet bij elkaar horen dan draait de speler ze weer om en is de volgende speler aan de beurt.
    • Ga zo door tot alle kaarten van tafel zijn.
    • De speler met de meeste duo’s heeft gewonnen.

Tip

    • Spreek samen af hoe lang je over een rekenprobleem mag nadenken, gebruik hierbij eventueel een zandloper of timer.

Variaties

  • Je kunt het spel moeilijker maken door de verschillende domeinen door elkaar te spelen.
  • Als je het spel al vaker hebt gespeeld kun je fase 1, met open kaarten, overslaan.

Boven